Index Gedichten


Mijn man

Vriendelijke ogen, prachtig blauw
een tandeloze lach, blij dement
zestig jaar ben ik zijn vrouw
hij was indertijd een grote vent

o, als ik denk aan die heerlijke tijd
wij samen sterk, vol liefde
we hebben heel wat afgevrijt
menig kusje dat hij diefde

Nu bibbert hij en is al oud
leeft in verleden dagen
zijn lippen zijn o zo koud
zullen geen kus meer vragen

een infarct velde mijn trotse eik
plots, terwijl hij tanden poetste
van angst gaf hij geen enk'le blijk
toen de kracht uit zijn lichaam roetste

huilend heb ik 1-1-2 gebeld
wanhoop versluierde zijn ogen
zo ging hij weg mijn grote vent
niet geknakt, maar wel gebogen

nu zit hij vegeterend in zijn stoel
aanhankelijk en bemind
mijn schat, levend op gevoel
een oud, maar erg lief kind

onze liefdeswortels van weleer
zijn gegrond in vaste klei
ik mis zijn geestkracht o zo zeer
maar mijn man, die blijft van mij.


Afscheid

Oude moeder
tranende ogen
wanhopig
in blinde staar

het schrale lijf
gehuld in schuld
en zwarte jurk
al wenend daar

beaderde hand
trilt verkramt
streelt de kist
daarna zijn haar

haar wijsvinger
op droge lippen
dan die van hem
heel even maar

dat is mijn plek
daar in die kist
o kind, mijn kind
was ik het maar

het antwoord
de vitrage
van wimpers
is trillend haar

zoals ze weet
is het niet de wind
maar zijn afscheid
in stil gebaar

een wankele stap
haar laatste blik
dag kind, mijn kind
we zien elkaar.


Jihad

Een droom die wentelde en keerde
zon die in de eeuwigheid verdween
gele maan die schromend tatoeerde
de naam van Allah op mijn been

De gordel was zwaar te dragen
aanschrijdend tot de synagoge
ogen blikten verrast, vol vragen
de zesde zuil, geen mededogen

Snel prevelde ik de Shahada
dat luchte me geweldig op
dag des oordeels kwam te rade
martelaarschap naderde in galop

Explosies die de Islam behaagden
brachten me naar een lieflijk paradijs
wachtend zeventig prachtige maagden
donkerogende hoeries, de zegeprijs

Maar de zesendertig die stierven
door mijn gordelbom miskend
waren het die mijn feest bedierven
door wroeging: volkomen impotent


Grafrede

Oude vrouw
erg mooi
in haar tooi
van rouw
aan de baar
haar ogen
vol mededogen
in blinde staar

Onverlaat
erg gemist
in de kist
ondergaat
dit Stabat Mater
en de mis
zo het is
als puur theater

Oude vrouw
zo fragiel
och arme ziel
in huilende rouw
hij die stal jouw geld
om te hoeren
en te snoeren
is nu uitgeteld

Jij lieve zoon
die heroine spoot
ligt hier nu dood
is dat het loon
voor een moeder
je bent een rotjoch
nee erger nog
ongevoelig loeder.


Ouderdomstranen

Amber rolt uit mijn ogen
constant vul ik de tranenzee
ontstaan omdat ik heb gelogen
nadat ik met een vreemde vree

een bijtend spoor op mijn wangen
tragische afdruk uit het heden
dat me machteloos doet verlangen
naar het geluk in ons verleden

mijn oude ogen blijven tranen
verdriet doet de glans nu missen
oogvocht dat me blijft vermanen
die me trouweloos deed vergissen

nu huil ik bij je dodenbaar
enorme spijt doet me boeten
want de dood is jouw veroveraar
zonder jou zal ik verder moeten

tranen nu en in het verschiet
eenzaam en vol zelfbeklag
verdrinken zal ik in verdriet
uur na uur, dag na dag

amber rolt uit mijn ogen
bij de herinnering aan je liefde
die tranen zal ik nimmer drogen
omdat ik je tot de dood toe griefde.


Wraak

Ik lig hier één vadem diep
in een kist van vurenhout
geveld door Mexicaanse griep
maar ben absoluut niet koud

Want ik ben niet dood, ik leef
schijndood noemt men dat
niet vreemd toch dat ik beef
want dit is me nogal wat

De graver heeft me uitgedost
in een wade van wit linnen
hoe raak ik hier nu van verlost
wat kan ik toch beginnen

Ik schreeuw luid en brul
maar de wit beklede wand
die brengt me tot benul
is tegen lawaai bestand

Boven me meters grond
en er is beslist geen licht
dit is niet bepaald gezond
en de kist die zit potdicht

Ik snak allengs naar zuurstof
slechts stikstof is alom
mijn blik wordt akelig dof
de stem breekt en wordt stom

Al gauw ben ik morsdood
mijn lichaam koud en stijf
die node de geest afstoot
die wegvloeit uit mijn lijf

Nu ben ik een vrije geest
wie had dat ooit gedacht
wraak zoekend en gevreesd
wit spokend in de nacht

Ik zal ze angst aan jagen
laat hen huiveren van schrik
hun hart zal dit niet verdragen
dan stopt ook hun rikketik

Zij die me dood beweerden
bezoek ik wel terstond
die doktoren en geleerden
snoer ik definitief de mond

Ja, ik heb nu alle troeven
wreek me zonder slag of stoot
en ook zij die me begroeven
die jaag ik in de dood.


Mijn maîtresse

Je bent als een warme zon
een koele en lavende bron
in mijn dorst naar hartstocht.

Je bent mijn grote obsessie
een minnares van professie
de mooie parel die ik zocht.

Je bent heuvelen en dalen
waarlangs mijn handen dwalen
in een onthullende tocht.

Je bekken is een diepe grot
een poel van wellust en genot
waarin ik sterven mocht.

Je navel is als een roze roos
die ik dolgraag minnekoos
en waaraan ik ben verknocht.

Je bent als vloeibaar goud
niet jong maar ook niet oud
rijp, zoals ik je heb gekocht.


Kunstenaarshaat

Het haar van Renoir
valt golvend neer
in een zweem van rood
de prachtige lichtval
van Rembrandt
geeft schaduw aan de schoot
van Hendrikje en Saskia
Vrouwen!
Henri Toulouse de Lautrec
de cassimodo van het penseel
laat weinig van de Cancan
van Parijs en haar liefde heel
Henri Matisse ruziet
met Seurat en Signac
het klinkt als het druppelen
van tranen op het linnen
Wie drinkt er van Buffets cognac?
Munch 'schreeuw'
is ook al buiten zinnen
praat me niet van schilders
van Picasso, Kadinsky of van Braque
Mondriaan, Dali of Léon
Nee, zeker niet van de laatste
Léon dat is een Zack
Willink willige streken
van zijn prachtige penseel
toverde fraaie vrouwen
Carel kreeg wat hij wilde
net als die kleurige Appel
die een vrolijk feest ging bouwen
ze zingen samen in een duet
'Walzing Mathilde'
laat ik zwijgen over de abstracten
die oorlog voerend met hun kwasten
verf gooiend naar hun vijand
die antipacifisten
ze kunnen van mij barsten
en de surrealisten
in de dood heel pover
zuipende en dansende
over het linnen
dat soort kunstenmakers
praat me ook daar niet over.


Rotterdam C.S.

In de hal leunt lui de inventaris
zwervers drinken smakkend bier
dat noemen ze het vrolijke vertier
de forens vindt dat zoiets raar is.

Junkies ruziën of zijn begaan
werkelozen vechten tegen de drukte
twee hoertjes die hem uit zijn haast wegrukten
laten de heer seconden staan.

Die meiden loeren met een schuine blik
naar de pimp die staat te dealen
twee bange, smachtende zielen
naar stuff, een shot of naar 'n stick.

Op de trap van de metro ligt een knaap
opgerold, warrig haar rond zijn schouders
dromend over de onrust van zijn ouders
hij kreunt en stuipt in diepe slaap.

Hij ziet het dorp, zijn zusje en de boot
Bas, zijn hond, zijn meisje en het bos
dan laat de stoep de jongen los
hij glijdt, valt, glimlacht en is dood.

De hal van het station is als een graf
een kille wind strijkt langs de mensen
er zijn erbij die hetzelfde wensen
maar waarvan de moed het reeds begaf.


Het vijfde kwartaal

Overspelig is de dromer
die in winter, herfst en zomer
met al te willige vrouwen speelt
die zich vol met drank laat gieten
van de liefde wil genieten
en zijn vrouw genot ontsteelt.

op die drie kwartalen rente
teert hij verder in de lente
terwijl zijn vrouw barst van verlangen
hij eet en drinkt voor zijn potentie
zonder erotische pretentie
want hij leeft in droomgezangen.

komt de zomer, herfst en winter
dan staat hij op en gaat naar ginter
waar de willigen wachten
hij geniet, speelt weer de verliefde
en zijn vrouw die hij niet beliefde
lacht in heimelijke gedachten.

want na deze drie droomkwartalen
komt de man verzorging halen
uitgeperst en afgeleefd
maar zijn vrouw ze is vertrokken
bij haar minnaar ingetrokken
ze heeft de liefde weer beleefd.


Het oudje

Ik verlang terug
naar mijn jonge jaren
de niet te evenaren
opgewekte scharen.

Ik verlang terug
naar dat hemelse hèt
de totale lust in bed
liefde in dolle pret.

Ik verlang terug
naar de animatie
de unieke sensatie
van een penetratie.

Ik verlang terug
naar rust en zacht gepraat
het intieme na de daad
waar echt geluk op staat.

Nu verlang ik naar
dat abstracte rare
het realistische ware
dat onontkoombare
Einde.


Dichten

In mijn hoofd crawlt
een zwemmer
die duikt naar inspiratie
glijdt door het idioom
met zijn uitgezette lijnen
en interpuncties als bakens.

Ik dartel in de naamvallen
worstel met de kantlijn
zink in het writersblock
en kom boven met bezieling.

Zo is dichten topsport
whisky is daarbij mijn doping
uitgeput finish ik op het punt
waarna geen woorden volgen.


De geveltoerist

Ik hou van mooie dingen
die glimmen en die glanzen
edelsteen en mooie ringen
daarbij pak ik al mijn kansen.

Ze zeggen, ik ben een acrobaat
tis waar, ik beheers m'n vak
steel alles wat er hangt of staat
en blijf steeds uit de bak.

Inbreken, da's ook 'n vak
Met gevaar voor eigen leven
klim ik soepel naar het dak
ieder ander zou daarvan beven.

Ik niet, ik breek een ruit
glij als een aal naar binnen
zoek naar goud of and're buit
of een pas om mee te pinnen.

Zo werk ik aan mijn klus
snel en met gespitste oren
altijd bang voor een Rus
die mijn werk wil verstoren.

Een plank? Er is wat geknakt
ik hoor wat en raak knijp
snel mijn biezen bijeen gepakt
en vluchten langs de regenpijp.

Zo verdwijn ik heel erg ras
duik onder in de duisternis
niemand neemt mijn vrijheid af
geen topper in de gevangenis.


Het pleidooi

Edelachtbare, ik had 't niet moeten doen
maar 't geld dat lag er zo
wie laat er nou liggen zoveel poen
open en bloot op 't bureau?

Het is niet goed, ik weet 't wel
maar de verleiding was zo groot
. het duurde maar even, nog geen tel
toen had ik de poen al in m'n poot.

Ja, en toen kwam er 'n smeris an
die wou me pakken, hij wèl
ik dreunde hem tegen zijn hersenpan
ik geef 't toe, dat ging wel fel.

Die klap, die kwam behoorlijk aan
Daarin ben'k goed gesjeesd
Maar dattie 't hoekie om zou gaan
Edelachtbare, da's nooit m'n bedoeling geweest.

Wat de officier nu eist hè'k al gevreesd
Het was 'n ongeluk geen moord
As die man daar niet was geweest
had u van z'n dood ook niets gehoord.

Rechter, zeg zelf, wat mot ik in de bajes?
Geef me 'n taakstraf alsjeblief
Ik floreer niet tussen al dat gajes
Ik beloof u da'k nooit meer dief.


De tragiek van de Echo

Echo, in deze ballade
hielp je Zeus bij zijn overspel
Hera, zijn bedrogen gade
ontnam jou het woord toen snel.

De straf door de godin geveld
werd een herhaling van de toon
van de vraag aan jou gesteld
daardoor ontving je ieders hoon.

Narcissus had mooie ogen
en een hals als elpenbeen
als jongeling kon hij bogen
op liefde waar hij ook verscheen.

Menig hart liet hij sneller kloppen
adoratie werd door hem veracht
liefst wilde hij deze stoppen
hij was bedwelmd door eigen pracht.

Echo, jij toonde hem je liefde
Narcissus wees die echter af
je kon niet zeggen wat je griefde
de oorzaak lag in Hera's straf.

Want je kon hem niet bereiken
enkel antwoorden op zijn vraag
'weggaan!' liet hij je toen blijken
'weggaan?' zei jij daarop vaag.

Zo zwierf je door de bossen
nooit veraf met holle stem.
niet de kracht je te verlossen
want je hield nog steeds van hem.

Je zag een maagd die hem verleidde
hoe hij haar liefde streng verbood
zij biddend: 'Urania, kom tussenbeide
laat hem sterven een wisse dood.'

Toen de godin haar wens verhoorde
hem beval daar weg te gaan
naar ginds waar niets hem stoorde
waar water is en bomen staan.

Je zag hem leven bij een plas
diep gebogen werd hij gestreeld
door wat hij in het water las
een lofzang op zijn eigenbeeld.

Hij nam geen eten en geen drinken
verloor zijn kleur en levenskracht
Zijn schoonheid begon dra te slinken
kwijnde weg, werd omgebracht.

Op die plek groeit nu een plant
, een gele trompet die verhaalt
Narcis stervend aan de waterkant
jij Echo die zijn relaas herhaalt.


De schepping

Geeft God ons de hoop
die vader geeft aan kinderen
na hun bevrijdende doop
of gaat onze verwachting
met die gedachte op de loop?

Wat is dan toch geloof
dat God onze schepper is
zo de kerk ons toeschoof
of is het wat Darwin zei
een onderscheidende kloof?

Is het liefde dat God geeft
de vurige hitte die verbrand
waardoor de aarde beeft
dat honger laat sterven
waaraan geen liefde kleeft?

Of is Galapagos ons Eden
de natuur de antichrist
leeft God niet in het heden
is gestorven die gedachte
of wordt gewoon vermeden?

Verwacht u een antwoord
op de vragen die ik stel
de God die ons bekoort
het groeien van ons mensen
de ontwikkeling van de soort?

Uit hetgeen ik ben gegroeid
was aannemelijk een aap
maar wat me in deze boeit
is Darwins theorie
waar God zich mee bemoeit.

Millennia voor de dagen
begin van het ontstaan
door protozoa gedragen
blauwalg als levensvorm
zo had het kans van slagen.

Geloof drukt op die vragen
gestoeld op de wetenschap
dat de hoop wel op komt dagen
heb die mooie gedachte lief
weet hierop het geloof te schragen.


Voortplantingsdrift

De man begeert
door lust verteerd
wat hij ontbeert.

De vrouw is blond
lief en rond
ze kust zijn mond.

Hun zinnen
klaar te beminnen
ploegen het linnen.

In elkaar een vlucht
na een zoete zucht
draagt liefde vrucht.

De foetus groeit
Moeder bloeit
raakt snel vermoeid.

Uitzet met doeken
hempjes en broeken
een naam uitzoeken.

Moed vergaren
het pijnlijke baren
en hopende staren.

Hun geluk verstoren
van doktoren horen
hun kindje verloren.

Een klein wit kistje
huilende: zeg wist je
mijn schatje ik mis je.

Lijden niet te dragen
God mogen wij vragen
waarom ons zo geslagen.

Toon uw erbarmen
wil ons hart verwarmen
met een kindje in de armen.


De huurmoordenaar

Hij hield van zijn Kalasjnikov
nog meer dan van zijn vrouw
het wapen, staalblauw en dof
was hem uitzonderlijk trouw.

Hij kreeg opdracht uit het milieu
om van Dalen te liquideren
moorden was hij nog lang niet beu
zijn zoon moest daarvan studeren.

Met het bloedgeld dat hij scoorde
leerde zijn zoon voor ingenieur
daarom was het dat hij moordde
zoonlief stelde hij nooit teleur.

Vandaag zou hij het zaakje hendelen
hij dook weg achter een muur
magazijn oké, daarna ontgrendelen
van Dalen kwam, hierop het 'vuur!'

Het lichaam vloog achteruit
wit overhemd werd rood gekleurd
vijf kogels, gaten in de huid
toen was het met de man gebeurd.

Ras vluchtte hij in de snelle wagen
gestolen bij het Katwijkse strand
hij scheurde weg, richting Schagen
daar stak hij de wagen in de brand.

's Avonds vroeg hij tijdens het eten
'hoe was je dag nog veel geleerd?'
'ach Pa, dit jaar kan'k wel vergeten
mijn docent is vandaag geliquideerd.'


De Fles

Moeder was het die me verliet
ze was heel jong verkracht
toen ik stroef haar buik verliet
stierf ze in een koude nacht.

Als kleine blozende kleuter
met een vader onbekend
kwam ik zonder veel geleuter
in een weeshuis, permanent.

Mijn voedsters waren nonnen
hun liefde was slechts God
zo is mijn jeugd begonnen
tucht en reinheid als gebod.

Ik moest hun cellen zuiveren
tijdens de catechismusles
begon van schrik te huiveren
bij het vinden van een fles.

Er zal een soort water in
dat smaakte scherp en bitter
ik werd vrolijk van die gin
en het leven was vol glitter.

De fles werd mijn beste maat
met hem doorliep ik in die tijd
het gymnasium zoals dat gaat
en de vrije universiteit.

Ik kreeg mijn bul en een job
als hulpverlener op de straat
breng verslaafden er boven op
ik weet toch hoe dat gaat.

Want met psychiatrische listen
kan ik zeggen zonder branie
help ik anonieme alcoholisten
bij hun probleem: alcomanie.


Mont Ventoux

Het is de rit naar de Ventoux
een beklimming, dus geen rappe
altijd weer een heel gedoe
starten bij zo'n bergetappe.

Contador dat is de menner
op de één na laatste rit
waakzaam wacht de renner
gespannen reeds zijn zit.

Garate sprint, schiet weg
vloeken achter hem alom
verrast tot renners pech
is het hele peloton.

Martin, die springt nog mee
na een felle demarrage
die doet geen kop o nee
blijft plakken als bagage.

Garate is een vlieggewicht
die danst op de pedalen
het zweet op zijn gezicht
zal hij de top nog halen?

De berg beult keer op keer
de vier gespierde kuiten
als ik nu niet demarreer
kan ik naar de zege fluiten.

Met het snot voor de ogen
pijnigend zonder genade
sprint Garate diep gebogen
en plaatst zijn retirade.

Zijn spieren staan op springen
en overal heeft hij pijn
maar in zich hoort hij zingen
ik haal de finishlijn.

De armen hoog geheven
met een blijde kreet daartoe
alles heeft Garate gegeven
hij bedwong de Mont Ventoux.


Onrustig graf

Bewegen doet de dood niet meer
dat is zij reeds lang verleerd
maar ach, het bewegen van weleer
was spastisch en mens onteerd.

Bewegen doet de dood niet meer
zij rust daar met gesloten ogen
haar gewrichten liggen stil teneer
de wrange pijn is nu vervlogen.

Bewegen doet de dood niet meer
terwijl ze neerlag bang en ziek
bedroog hij haar keer op keer
vluchtend voor haar rheumatiek.

Bewegen doet de dood niet meer
het enige dat nog in haar leeft
is verdriet door het oude zeer
dat ze hem nooit vergeven heeft.

Bewegen doet de dood niet meer
haar haat zal hier nooit sterven
zij zal als hij zich hier legt teneer
zijn onverdiende rust bederven.


Afscheid

Oude moeder
tranende ogen
wanhopig
in blinde staar

het schrale lijf
gehuld in schuld
en zwarte jurk
al wenend daar

beaderde hand
trilt verkramt
streelt de kist
daarna zijn haar

haar wijsvinger
op droge lippen
dan die van hem
heel even maar

dat is mijn plek
daar in die kist
o kind, mijn kind
was ik het maar

het antwoord
de vitrage
van wimpers
is trillend haar

zoals ze weet
is het niet de wind
maar zijn afscheid
in stil gebaar

een wankele stap
haar laatste blik
dag kind, mijn kind
we zien elkaar.


Fluitijs

Wandelend op mijn korte beentjes
aan mama's hand naar de eendjes
ik herinner me die warme dag
dat ik voor het eerst de ijskar zag.

Mama, mag ik een lekker ijsje?
nee, mijn lieve kleine meisje
niet van 'Venetia' bij de plas
bij die Italiaan in zijn witte jas.

U hebt het thuis toch beloofd?
kind gebruik nu eens je hoofd
die man duikt steeds in de struiken
een wc kan hij hier niet gebruiken.

Hij doet zijn plas tegen een boom
zomaar te kijk op de Kralingse zoom
schudt daarna zijn fluit, snel en ras
leeg, tot de laatste druppel in het gras.

Als hij klaar is met dit vies gedoe
rent hij terug naar de ijskar toe
en zijn ongewassen handen
laat hij weer in het ijs belanden.

Zijn Italiaanse ijs is daardoor zurig
dus mijn schat wees niet ongedurig
na de eendjes neem ik je gezellig mee
naar 'Capri,' die heeft tenminste een wc.


Circus Sarasani

Paletjes fonkelen
aanzwellend de muziek
vooraan de stalmeester
hoge hoed volle stem
'Hooggeëerd publiek.'

Rode pruik en neus
August de hele domme
Fel gekleurd zijn lach
buitelt en grimast
mimiek van een stomme.

Op de prachtige muziek
draven de paarden op
met pluimen en bellen
acrobaten op hun rug
cirkelend in galop.

Hoog boven de piste
het rumoer gestild
acrobaten die vliegen
angst, een val, gegil
een zucht, het vangnet trilt.

Plotseling luid gebrul
leeuwen sluipen binnen
luid knalt de zweep
een sprong door een hoepel
de show kan beginnen.

Kleurrijk de finale
zij die de lucht besteeg
buigt in haar maillot
de temmer knalt zijn zweep
dan stroomt de piste leeg.

Wat ik het mooiste vond
getoond aan het publiek
dat was geen clown of dans
geen show van mens of dier
dat was de muziek.


De geliefden

Hoe heerlijk
mijn lief
was de zonde
fijn het genot
toen ik
je verwonde
toen je
zuchtte
en steunde
woelde
en kreunde
totdat ze
ons vonden
reeds half
ontbonden.


De cactusvijg

Puur en kalm als een manestraal
voorttrillend in het vroege uur
klonk de zang van de nagtegaal
als prelude voor een avontuur

tijdens de pluk van cactusvijgen
zong een deerntje zacht, sereen
hoe ze ware liefde kon verkrijgen
toen een jongeling verscheen

wenkbrauwen die zeer fraai bogen
in een knap gebruind gezicht
boven glanzende zwarte ogen
het meisje was al snel gezwicht

frisse lippen die haar overmanden
kussende mond liefkozend, zoet
haar rode wangen, witte tanden
hadden de liefde nooit ontmoet

vleiende haar in het malse gras
ontdeed hij haar van al de kleren
ook wat hij droeg verdween alras
voor wilde lust en driest begeren

na die heerlijke minnepijn
en de kreten van verrukking
de laatste kus zo puur en rein
het afscheid een mislukking

de verlokkende verschijning
die sprak over echte liefde
verdween over de omheining
met het vlies dat hij diefde

haar kreten klonken bitter hard
na maanden, tijdens het dorsen
toen baarde ze met diepe smart
de schand' die ze moest torsen

terwijl de vlegels zich in rijen
rond de lege dorsvloer schaarden
opende zich haar jonge dijen
en kwam haar schat ter aarde

puur en kalm als een manestraal
voorttrillend in het vroege uur
schreide haar baby muzikaal
over dit schandelijk avontuur.


De granaatappel

De lucht is dreigend donkerblauw
felle kanonnen hoor je dreunen
een kreet, schor en verbazend rauw
'ben geraakt,' zo hoort men kreunen

rondom hem besmeurde lijken
of gewonden in hun stervensuur
de soldaat laat zijn moed nu blijken
vuurt, en verkoopt zijn leven duur

zijn maat zaait met de kalasjnikov
moordend kogels over het veld
hij kijkt opzij, ziet de ogen dof
huilt om de getroffen oorlogsheld

bloedend schuim komt uit diens mond
de hospik haast zich naar zijn klant
het longschot met de open wond
dicht hij snel met een noodverband

de held op de kogels niet beducht
geen lucht, het hart dat sloeg
stopt na de tweede diepe zucht
de oorlogsheld, hij stierf te vroeg

een body bag gaat ritsend los
voorzichtig want de vijand loert
mannen slepen hem uit het bos
geluidloos wordt hij afgevoerd

achter een struik zwaait een arm
een granaat vliegt met een boog
valt neer, maar er is geen alarm
een blindganger, die hem bedroog

omdat het projectiel niet afgaat
geen scherf de maat verwond
kruipt hij waaks naar de granaat
die blinkt daar op de grond

hij grijpt, het is een goudreinet
mooi rond en verrukkelijk rood
de gedachte gaat naar zijn lief Janet
en hij denkt niet aan de dood

hij vergeet dat Eva met zo'n vrucht
de oorzaak was van Adams spijt
te laat! hij krijgt geen zuchtje lucht
wanneer men hem de hals af snijdt.


Onverdiend verdriet

Huilend zit ze op de stoep
haar stemmetje klinkt zwak
ik geef gehoor aan het geroep
het bleek een mug die stak

teder heb ik haar gesust
en zet haar op de grond
daarbij haar pijntje weggekust
nog net niet op haar mond

werkers die me gadeslaan
roepen vanuit de bouw
'zie die flikker daar nu staan
lazer op en wel heel gauw

vuile vieze pedofiel
we zullen je wel leren
kwetser van de kinderziel
zo'n onschuld te begeren'

tierend gaan ze naar benee
'smerige lokker van zo'n kind
we slaan je in elkaar temee'
zo gaan ze door het lint

ik moet rennen voor mijn leven
vluchtend voor hun woede
geen antwoord kan ik geven
het is me zwaar te moede

en klap tegen mijn slaap
'da's voor jou stuk stront'
de volgende is ook raak
het bloed golft uit mijn mond

zwaar gewond lig ik daar
hun blinde woede blijkt gesust
ik zal het nooit begrijpen
enkel mijn dochtertje gekust.


De werkelijke dader

'Blijf met je poten van mijn zoon
vuile flikker, vieze nicht
met je zoete versierderstoon
jullie horen in een gesticht.

Zoek verdomme een lekker wijf
één met van die grote prammen
of krijg je hem alleen maar stijf
door in mijn zoon te rammen.

Ik sla je echt hartstikke dood
als ik je hier nog één keer tref
liever jaren op water en brood
dan dat je komt aan kleine Stef.'

Dit alles had de man gezegd
iedere buur had het gehoord
was die man dan echt zo slecht
dat hij de homo had vermoord?

Iemand had het recht geschonden
de homo was door een vandaal
aan een eikenboom gebonden
als schandpaal, was het verhaal.

Verder stond in het proces
dat de man ernstig had geleden
zijn lid was met een mes
van zijn lichaam afgesneden.

We vonden wat sporen: dna
veilig gesteld en naar het lab
het bleek de zoon, niet de pa
die bevinding was de eerste stap.

Stef was pas zeventien jaar
een gespierde macho om te zien
cool en pienter bij het verhoor
praatjes had hij bovendien.

'Sleep me maar voor de rechter
reken me die moord maar aan
want u bent nog heel wat slechter
toen u hem zijn gang liet gaan.'

Steffie toonde geen enkele spijt
lachte vrolijk bij het idee
dat de vermoorde in die tijd
als meisje stierf met een snee.

Ieder was oprecht verbolgen
wie was nu de werkelijke dader?
slecht voorbeeld doet slecht volgen
lag de schuld niet bij de vader?

De jeugdrechter strafte hem
drie jaar, dat is twee jaar schoon
al die tijd hoorde hij vaders stem:
'Blijf met je poten van mijn zoon.'


Niet vergeten: de pogrom

De vraag
Een kleine man, duidelijk een Jood
hield me staande op het station.
'Dat meisje ginds, die mooie stoot,
welke daar staat op het perron,
heeft zij soms Anorexia nervosa?
Ze is nog slanker dan een den.'

Het antwoord
'Nee, haar naam is Judith Rosa
van de Joodse familie Cohen.
Als ik u het trieste verhaal vertel
van hun angst tijdens het schuilen
en wat er gebeurd is met het stel
dan zult u vreselijk moeten huilen.
Judith Rosa was erg verliefd
op een goj uit Wijk aan Zee.
werd door hem intens gegriefd
toen hij lid bleek van de NSB.
De Cohens, nog met hun vijven
ontkenden hun joodszijn niet,
die wilden in Mokum blijven
het was de goj die hen verried.
Behandeld als waren ze vee,
opgedreven naar dit perron
ging Judith Rosa met hen mee,
het was hier dat hun reis begon.
In wagons tegen elkaar geplakt,
vervuild, hongerig en zonder wc,
velen door ziekte erg verzwakt,
door typhus en diarree.
Over de grens naar Sobibor
gehuisvest in het derde Lager
Net als beesten kregen ze voer
zo werden ze ontzettend mager.
'Sie sollen gewaschen werden,
kwam de verordening van boven.
Waarom ze niet protesteerden?
Iets anders konden ze niet geloven
Rijen vormdend, net als in de klas,
alle kleding uit, poedeltje naakt
de douchezaal in, en dan het gas.
Blauwzuur en de hartslag staakt.
Ze stierven, er werd niet gehuild,
het verdriet was slechts de stilte.
Op een hoop gegooid, dan gekuild,
daarna nog alleen de kilte.
Judith Rosa, ze mocht retour,
kreeg meer dan ze had verwacht
ze werd misbruikt als moffenhoer,
iedere dag meermaals verkracht.
Vol van tranen en ongetemde nijd,
moest ze lachend, zonder klagen,
op haar rug en met de benen wijd
al gruwende behagen, alle dagen
Daarom meneer is ze zo mager,
is ze nog slechts vel over been.
Na al die ellende in het Lager
wil ze naar haar familie heen.


Homofobia

'Ik hou
niet van rose,
van het
verkrachten
der Amsterdamse
grachten.

Niet van boten
met blote
pseudo mannen,
die paraderen
met pauwenveren
in hun reet.

Dat gebeuren
waarin flikkers
in geuren
en kleuren
leuren met hun
voorkeuren.

Van geile
nichten,
die zwijmelen
en zwichten
voor iedere
mannenkont.

Die het
normaal vinden,
met een paal
telkenmaal
hun anus
te ontwrichten.

Viespeuken, die elkaar
neuken
en zeggen:
'schat dit is
normaal'.

Ik vind het
werkelijk
een schandaal,
abnormaal,
vunzig, en vrij
van moraal.'

Beschonken
gleed hij van
zijn kruk,
een homo brak
tot zijn geluk
de val.

Die pakte
zijn jas en zei:
'schat, het is
geen kruis,
jij bent zo dronken,
ik breng je thuis.'


Alanyaans exibitionisme

Ik snap echt
niets van
u vrouwen
op het strand
die leuren
met hun blote
borsten en
die laten keuren
door Turken
die constant
aan hun zak
krabben.

Die met stijve
worsten
in knellende
broeken
verlangend naar
die borsten
al kwijlende
hun speeksel
morsen
en die constant
aan hun zak
krabben.

Ach vrouwen
u bent dom
het man'lijk
gegrom
getuigt niet
van lust
maar van
minachting
die ze tonen
door constant
aan hun zak
te krabben.

De koran
verbiedt
wat u toont
en hij ziet
uw bloot zegt
ik heb lak
aan uw cultuur
wat kunnen
zij dus anders
dan constant
aan hun zak
krabben?

Ik erger me rot
aan u die leeft
naar God
noch gebod
maling heeft
aan Allahs
gangbare zede
en lokkend lacht
naar mannen
die constant
aan hun zak
krabben.


Adana

Ontdekt
door Augustus
de keizer,
geroemd
als lusthof,
genoemd
Ceasarea
aan het water.

Intocht
van gulzige
toeristen,
die de ruïnes
van Dilekkaya
filmen en
opgewonden
prijzen.

Met warmte
opgediend,
voor de vriend
die hap na hap
Adana kebab
verslindt,
een meter
gastronomie.

Strijdbare
Koerden,
die ons
beloerden
van overal,
het heden
rijk en arm
in verval.

Eeuwen later,
na leven
en doden,
na welvaart
en noden,
is Adana
zoals het is:
geschiedenis.


De zelfmoordenaar

Ik las in de krant
over een dwaze intrigant,
zo'n malle onverstand,
die met een kind
aan de hand,
van Ameland vertrok,
met de pont
naar de overkant
ons Friesland,
waar poker werd gespeeld.

Daar aangeland
dacht hij arrogant:
ik spring ook eens
uit de band,
zet het kind in
als waardevol pand.
Maar tot zijn schand
heeft hij toen
heel pikant, zijn
kostbaarste bezit verspeeld.

Hij dacht astrant,
dit is frappant
en zo verdomde irritant.
Als speler val ik
ook nog door de mand.
Ben ik dan
zo verschrikkelijk pedant
en zo'n dillitant,
dat ik mijn hand
zo ruim heb overspeeld?

De man gênant,
maakte geen trammelant
ging zeer saillant
terug naar Ameland.
Op het strand
in het zand
groef een kuil: vierkant,
nam zijn mes in de hand
en heeft zich met een
pokerface gekeeld.


Ongeblust vuur

Het vuurtorenlicht streelt
het paartje dat hand in hand
met schaduwen verbeeld
knus slentert over het strand.

'Wat romantisch,' mompelt zij,
al draaiende met haar kont.
ze ziet in hem een lekkernij
zoekt telkens weer zijn mond.

Smoorverliefd en amoureus
hoofd tegen zijn borst gevleid,
fluistert ze: 'mijn sterke reus,
je hebt me nog nooit verleid.'

Hij kan zijn lust bedwingen,
zij echter verlangt naar meer
'jouw vuur moet je verdringen,'
zo beweert hij telkens weer.

Jouw vuur, denkt ze stilletjes
die brandt niet in je broek
Ik schud met mijn billetjes
maar jouw lust is zoek.

Kan die duinpan niet boeien
dat is toch een prima bed,
om met elkaar te stoeien
geeft toch eindeloze pret?

Zo slenteren ze stilletjes door
haar lust gevangen in een cel,
bij hem krijgt ze geen gehoor
reageert niet op haar appèl.

Thuis in haar warme bed
ligt ze van genot te beven.
bezorgen vingers haar de pret
die hij had moeten geven.